Personeel en groepen
Goede kinderopvang vraagt om voldoende gekwalificeerd en betrouwbaar personeel. Ook zijn de groepen afgestemd op het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Dit zorgt ervoor dat kinderen zich optimaal kunnen ontwikkelen.
Opleiding, scholing en ervaring*
Voor goede en verantwoorde kinderopvang is het belangrijk dat medewerkers goed zijn opgeleid.
- Tot 1 januari 2031 geldt er voor een kindercentrum een teamkwalificatie, waarbij minstens de helft van de pedagogisch medewerkers op de locatie:
- Minimaal een mbo-3 opleiding heeft tot pedagogisch medewerker of een opleiding op niveau 3 met een pedagogische component.
- Een mbo-2 of CVQ-2 opleiding heeft, aangevuld met bewijsstukken waarmee aangetoond wordt dat de medewerker werk op mbo-3 niveau kan doen. De eisen die gelden voor aanvullende bewijsstukken leest u hieronder. Let op: Bij aanname van personeel is de voorkeur om medewerkers met een diploma op mbo-3 niveau aan te nemen.
- Al vóór 1 januari 2026 in de kinderopvang werkt, vóór of in 1975 geboren is en tenminste 15 jaar ervaring heeft in de kinderopvang. Alleen in dit geval hoeft een medewerker geen mbo-2 of mbo-3 diploma te hebben of te gaan halen.
- De andere helft van de pedagogisch medewerkers mag bestaan uit:
- Stagiairs die een mbo-opleiding volgen.
- Medewerkers die nog in opleiding zijn voor mbo-3.
- Medewerkers met een mbo-2 of CVQ-2 opleiding tot pedagogisch medewerker of met een pedagogische component.
- Als een medewerker een diploma uit het buitenland heeft, kan via www.idw.nl een diploma waardering opgevraagd worden. Dit duurt minstens 6 weken en kost geld.
- Als er stagiairs, medewerkers in opleiding of medewerkers op mbo-2 of CVQ-2 niveau werken, moet de houder:
- Zorgen voor goede begeleiding.
- Rekening houden met hun opleiding, ervaring en kennis op dat moment.
- Bij stagiaires en medewerkers in opleiding moet er ook altijd iemand met minimaal mbo-3 op de groep werken, samen met de stagiair of medewerker in opleiding. Dit geldt niet voor een pedagogisch medewerker op mbo-2 niveau.
- Tijdens de opvang van kinderen moet er altijd minstens één volwassene aanwezig zijn met een EHBO-diploma voor kinderen. Deze persoon weet wat te doen in noodgevallen. Hij of zij kan:
- Inschatten of een situatie veilig is.
- In een gevaarlijke situatie zorgen voor de eigen veiligheid en de veiligheid van anderen.
- Professionele hulp inschakelen als dat nodig is.
- Herkennen wanneer een kind niet goed ademt, bewusteloos is of problemen heeft met de bloedsomloop – en dan juist handelen.
- Kinderen reanimeren als dat nodig is.
- Eerste hulp geven, bijvoorbeeld bij brandwonden, vergiftiging, verstikking, wonden en bloedingen en letsel aan hoofd, spieren, botten of gewrichten.
Let op: Het EHBO-diploma mag niet ouder zijn dan 2 jaar. Diploma’s die zijn afgegeven vóór 1 januari 2026 blijven geldig tot twee jaar na afgifte.
*Voor gastouders gelden de volgende regels:
- Een gastouder moet een opleiding hebben op minimaal mbo-2 of CVQ-2 niveau.
- Tijdens de opvang moet er altijd een volwassene aanwezig zijn die eerste hulp aan kinderen kan geven. Dit mag de gastouder zelf zijn, als hij of zij een EHBO-diploma heeft dat aan de regels voldoet en niet ouder is dan 2 jaar.
Bewijs van ervaring
Iemand met een mbo-2 of CVQ-2 diploma en voldoende ervaring met werken met kinderen, kan met bewijsstukken van deze ervaring in een kindercentrum worden ingezet als medewerker op mbo-3 niveau. Daarvoor moet uit bewijsstukken van ervaring duidelijk blijken dat de medewerker de volgende taken op mbo-3 niveau kan uitvoeren:
- Kinderen begeleiden bij hun ontwikkeling
- Werken aan kwaliteit en deskundigheid
- Opvoeden en ontwikkelen van het kind/de kinderen in de kinderopvang
Deze drie taken moeten duidelijk te zien zijn in de bewijsstukken. Er mogen ook andere taken in staan, maar deze drie zijn verplicht. Zo kunnen de kinderopvangorganisatie en de inspectie goed controleren of de medewerker voldoet aan de ervaringseisen.
Hoe aantonen dat iemand de juiste ervaring heeft?
In de bewijsstukken moet voldoende bewijsmateriaal zitten dat laat zien dat de medewerker de drie taken op mbo-3 niveau kan uitvoeren. Bij het bewijsmateriaal zit een schriftelijke uitleg. Het bewijsmateriaal kan bijvoorbeeld zijn:
- Referenties van vorige werkgevers
- Filmpjes of foto’s van het werk
- Certificaten van gevolgde cursussen of trainingen
- Verslagen, plannen of programma’s die de medewerker zelf heeft gemaakt
Verantwoordelijkheid van de houder
De houder van een kindercentrum is verantwoordelijk voor het beoordelen van de bewijsstukken. De houder moet bepalen of de medewerker met het bewijsmateriaal en de uitleg genoeg laat zien dat hij of zij taken kan uitvoeren op mbo-3 niveau. De houder mag gebruikmaken van een ervaringscertificaat (EVC). Maar let op: de houder moet dan ook beschikken over het onderliggende bewijsmateriaal dat is gebruikt om het ervaringscertificaat op te stellen.
Verklaring omtrent het gedrag
Iedere kinderopvang moet zorgen voor een geldige en recente Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor alle volwassenen die op de opvanglocatie aanwezig zijn of toegang hebben tot informatie over de kinderen:
- Dit geldt voor de houder of gastouder, de directeur en bestuurders en voor alle medewerkers, uitzendkrachten, stagiaires en vrijwilligers.
- Vóórdat de persoon begint met werken op de opvang moet hij of zij een VOG ingeleverd hebben bij de kinderopvang.
- De VOG mag op het moment van inleveren niet ouder zijn dan 3 maanden.
- Elke VOG moet elke 2 jaar opnieuw worden aangevraagd. Bij overstap naar een andere kinderopvangorganisatie moet ook opnieuw een VOG worden aangevraagd.
- De houder of gastouder moet elke VOG minimaal 3 jaar bewaren.
- Als de inspectie denkt dat een jongere van 12 jaar of ouder op de opvang niet voldoet aan de VOG-eisen, mag de inspectie ook voor deze minderjarige een VOG eisen.
Voertaal
Op Bonaire is de voertaal in de kinderopvang Papiaments of Nederlands.
Op Sint Eustatius en Saba is de voertaal in de kinderopvang Engels of Nederlands.
- Een houder of gastouder beschrijft in het pedagogisch beleidsplan welke voertaal wordt gesproken.
- Pedagogisch medewerkers moeten de gekozen voertaal goed met de kinderen kunnen spreken.
- Als de ontwikkeling of de situatie van een kind daarom vraagt, kan een pedagogisch medewerker ook (mede) een andere taal met een kind spreken.
Aantal beroepskrachten en groepsgrootte*
Het aantal beroepskrachten dat nodig is, hangt af van de leeftijd en het aantal kinderen in een groep. Hoe jonger de kinderen, hoe meer beroepskrachten er nodig zijn:
- De maximale groepsgrootte en het minimale aantal beroepskrachten (dit heet de beroepskracht-kind ratio) staan in onderstaande tabellen. Deze aantallen gelden voor activiteiten binnen en buiten het kindercentrum.
- Als kinderen uit de dagopvang en kinderen uit de buitenschoolse opvang in dezelfde groep zitten, dan geldt de beroepskracht-kind ratio van de dagopvang.
- In de rechterkolom staat hoeveel kinderen er maximaal in een groep mogen zitten. Zijn het er meer? Dan moet de groep worden gesplitst, ook als er 3 medewerkers zijn om de groep te begeleiden.
- Als er maar één medewerker aanwezig is op de kinderopvang, moet er een andere volwassene zijn die telefonisch bereikbaar is en binnen 15 minuten op de locatie kan zijn bij een noodgeval. Dit heet de achterwacht.
Dagopvang – horizontale groepen (zelfde leeftijd)
| Leeftijd kinderen | Minimaal aantal beroepskrachten | Maximaal aantal kinderen | Minimaal aantal beroepskrachten | Maximaal aantal kinderen in groep |
|---|---|---|---|---|
| 0 tot 1 | 1 | 4 | 2 | 8 |
| 1 tot 2 | 1 | 6 | 2 | 15 |
| 2 tot 4 | 1 | 8 | 2 | 16 |
Dagopvang – verticale groepen (gemengde leeftijden)
| Leeftijd kinderen | Minimaal aantal beroepskrachten | Maximaal aantal kinderen | Minimaal aantal beroepskrachten | Maximaal aantal kinderen in groep |
|---|---|---|---|---|
| 0 tot 2 | 1 | 5 (max 3 van 0 tot 1) | 2 | 10 (max 6 van 0 tot 1) |
| 0 tot 4 | 1 | 6 (max 3 van 0 tot 1) | 2 | 12 (max 6 van 0 tot 1) |
| 2 tot 4 | 1 | 8 | 2 | 16 |
Buitenschoolse opvang
| Leeftijd kinderen | Minimaal aantal beroepskrachten | Maximaal aantal kinderen | Minimaal aantal beroepskrachten | Maximaal aantal kinderen in groep |
|---|---|---|---|---|
| 4 tot 7 | 1 | 10 | 2 | 20 |
| 7 tot einde basisonderwijs | 1 | 12 | 2 | 24 |
| 4 tot einde basisonderwijs | 1 | 11 (max 8 van 4 tot 7) | 2 | 22 (max 10 van 4 tot 7) |
*Een gastouder mag maximaal 6 kinderen tegelijk opvangen, tot de leeftijd van 13 jaar. Eventuele eigen kinderen van de gastouder tot 10 jaar tellen ook mee. Binnen de groep van 6 kinderen mogen een beperkt aantal jonge kinderen opgevangen worden:
- Maximaal 2 kinderen jonger dan 1 jaar
- Maximaal 4 kinderen jonger dan 2 jaar
- Maximaal 5 kinderen jonger dan 4 jaar
Tijdens de opvang van kinderen moet een gastouder een achterwacht hebben voor noodgevallen. Dit is een volwassene die telefonisch bereikbaar is en binnen vijftien minuten bij de opvanglocatie kan zijn als er een noodgeval is.
Afwijkende bezetting kindercentrum*
- Een dagopvang mag op een dag 3 uur lang met minder medewerkers werken. Bijvoorbeeld gedurende 1,5 uur in de ochtend en 1,5 uur in de middag. Dit mag alleen als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- De opvang moet elke dag minimaal 10 uur open zijn.
- Het moet kloppen met wat er in het pedagogisch en educatief beleidsplan staat over minder medewerkers op bepaalde momenten.
- In de uren met minder medewerkers moet in elk geval de helft van het aantal medewerkers aanwezig zijn dat normaal nodig is volgens de tabellen.
- De afwijkende inzet mag per werkdag anders zijn, maar moet elke week hetzelfde blijven.
- Bij de buitenschoolse opvang (bso) mag je alleen 3 uur met minder medewerkers werken op dagen dat de basisschool vrij is of in de schoolvakanties. Op gewone schooldagen mag de bezetting maar een halfuur per dag minder zijn. Ook dan moet minstens de helft van het aantal verplichte medewerkers aanwezig zijn.
- Als er door de beperkte bezetting maar één medewerker in het kindercentrum is, moet er minimaal één andere volwassene beschikbaar zijn om te helpen als dat nodig is.
- De kinderopvang moet elke dag bijhouden welke medewerkers er zijn en welke kinderen aanwezig zijn, met de tijden waarop ze komen en gaan. Met deze presentielijst is het mogelijk om te controleren of er genoeg medewerkers zijn voor het aantal kinderen.
*Vanwege de aard en kleinschaligheid gelden deze regels niet voor gastouders.
Herkenbare ruimtes en personen*
Een kindercentrum zorgt voor een vertrouwde en stabiele opvang voor kinderen, door te werken met vaste groepen en bekende gezichten:
- Elk kind zit in één vaste groep. In de dagopvang heet dit een stamgroep. In de buitenschoolse opvang heet dit een basisgroep.
- De groepsgrootte hangt af van de leeftijd van de kinderen. Oudere kinderen mogen in een grotere groep zitten (kijk in de tabellen voor de regels).
- In elke groep werken zoveel mogelijk dezelfde medewerkers.
- Elk kind heeft een vaste mentor. Deze mentor praat regelmatig met de ouders over de ontwikkeling van hun kind. Ouders kunnen ook met vragen over hun kind bij de mentor terecht.
- Kinderen zitten steeds in dezelfde ruimte. In de dagopvang mag een kind per week in maximaal twee verschillende ruimtes worden opgevangen.
- Ouders en kinderen horen in welke groep het kind zit en wie de vaste medewerker of mentor is.
*Vanwege de aard en kleinschaligheid gelden deze regels niet voor gastouders.